Ze had er eerlijk gezegd niet echt naar uitgekeken. Een week of twee geleden werden de eerste woonwagens voor de deur neergepoot. Honden die ze voordien nooit had gezien, bevolkten nu de stoep. Ze had nieuwe buren, voor een week of 4.
Het gewriemel en gepruts kon maar één ding betekenen. De foor. De enige echte Gentse foor. Ze had dit al drie jaar meegemaakt, dus ze wist al wat er te gebeuren stond, er was echter één dingetje dat zou veranderen. De voorbije jaren was de foor even van haar vertrouwde plek afgeweken, enkel de foorkramers zelf waren gebleven waar ze hoorden. Nu waren de problemen opgelost en konden de kramen zelf opnieuw postvatten op hun vertrouwde plekje, hartje Gent.
Ze had nachtmerries gehad over lawaaioverlast, stank, enz. Maar ze moet toegeven dat het allemaal wel meevalt. Meer zelfs, ze zal het missen! Iedere avond wandelt ze wel eens langs de kraampjes die haar zintuigen doen tintelen: geuren en kleuren zoveel als er bestaan. Roze, gele, groene en blauwe suikerspinnen, snoepjes in de kleuren van de regenboog, verlichting die pijn doet aan de ogen, om dan nog te zwijgen over de duizenden beertjes die verspreid liggen in van die dekselse bakken met hijskraantjes. Dat laatste is trouwens bijzonder verslavend, beertjes grijpen. Meestal zijn het van die lelijke mormels die meteen in de verste uithoek van de kamer worden geplaatst, maar toch is het moeilijk om steeds aan de verleiding te weerstaan.
Daarnaast heeft ze ook al heel wat spectaculairdere dingen ontdekt. Levensgevaarlijk. X-treme! Jawel, ze betrapt zichzelf er op dat ze al in kermistermen begint te praten ... Erg! Maar toch zal ze het missen.
Die gezellige drukte, altijd wel iemand tegenkomen die je kent, het gegil in het spookkasteel, de misselijkmakende geurmengeling, de snoepkleurtjes én de beertjes. Het wordt een hartverscheurend afscheid.
Maar nu gaat ze er nog van genieten, nog een dag of 16.