Wankel.
Opengebloeid.
Ze herkende veel van zichzelf in haar. Vroeger.
Ze is zo blij dat zij is geworden wie ze nu is. Zij is geworden wie ze graag had willen zijn.
Zij, de toffe meid vol zelvertrouwen. Verkregen door te zijn wie ze is. Met ups en veel downs.
Ze, nog steeds onzeker. Vol twijfels. Voor altijd wankel.
Hinniken.
De vraag werd gesteld door haar nicht. Tussen de paarden.
Ja. 't Was de goede keuze geweest. Ze had immens veel bijgeleerd, de richting lag haar wel. Ondanks de vele stress en de tegenvallende medestudenten aan het begin van vorig jaar. De medestudenten bleken nu toffe meiden en kerels. De stress bleef. Maar ze leerde er mee leven. De interesse bleef stijgen, ook al kwamen de werkjes haar soms de keel uit.
Maar wat ze vooral heeft geleerd. Is zichzelf lezen. Ze is opgenbloeid.
Ze merkt het zelf. Dat ze veranderd is. Ze heeft het gevoel dat ze zichzelf heeft gevonden. Min of meer. Ze is meer zichzelf. Opener. En ze blijft zichzelf en haar omgeving af en toe verbazen. Ze schrikt van zichzelf. Wist niet dat ze zoiets in zich had. Maar dat maakt het wel leuk.
Ze is er nog niet. Maar ze is op de goede weg. Op weg naar het zelfvertrouwen.
Paarden hinniken bevestigend.
Busjongen (2).
Deze keer was het spel van kijken en wegkijken. Met een onbekende.
Hij stond te grijnzen en zij wilde weten waarom.
Ze stond hem ongeneerd te bestuderen. Maar keer weg toen hij zijn blik in haar richting stuurde.
Omgekeerd gebeurde hetzelfde.
Fijn.
Ze stapte af. Keek hoe de bus wegreed. En hoe hij nog even terugkeek.
Stiekem.
Verlammend.
Ze voelde zich de hele dag wat nerveus. Ze wist niet goed wat ze moest verwachten. Was vooral heel nieuwsgierig. Ze had gelukkig iemand gevonden die samen met haar de cursus wou volgen. Samen sterker dan alleen.
De eerste les is een uurtje gedaan en ze is nog steeds onder de indruk. Ze heeft 2 uur gefascineerd zitten kijken naar de bewegingen van de dove jongeman vooraan in het lokaal. Ze wil zo graag die taal beheersen, kunnen communiceren met doven. Ze is nog zo onder de indruk. Weet niet goed wat te zeggen. Geestelijk verlamd.
Eén van de medestudenten is een man die doof en blind is. 't Moet verschrikkelijk moeilijk zijn om zo geboren te worden. Leren praten, leren lezen, gewoon weg leren wat wat is. Hoe begin je daar in godsnaam aan. Communiceren gebeurt met de handen. Letters schrijven op de handpalm. Typen en ontvangen. Wandelen met twee stokken. Vaak hulpeloos en afhankelijk. Maar toch gelukkig.
Op zo'n moment schaamt ze zich dat ze zich drukmaakt in pietluttige dingen.
Met dank aan m'n steeds luisterend oor voor de titel.
Busjongen.
Maar ze doet het graag. Ze is het bijna gaan zien als een hobby.
Mensen observeren.
Wat doen ze. Waar gaan ze heen. Wie zijn ze. Wat is de relatie met de gesprekespartner.
De Jambers in haar komt tevoorschijn.
Vandaag kwam ze heel toevallig naast een niet-zo-onaangenaam-ogende jongeman te zitten. Ze had hem al een jaar hier en daar zien opduiken in en naast haar klas. En nu deelden ze plots een tweezit op de bus.
Ze trok haar stoute schoenen aan en deed iets wat ze anders zelden deed. Ze sprak hem aan. Ze heeft er immers meestal een hekel aan om met onbekende mensen te praten op de bus. Ze heeft geen nood aan klaagzangen van oudjes en minder oudjes. Ze heeft altijd schrik om geen antwoord te kunnen geven. Verder dan een "mja", "oei" of " 't is waar" komt ze meestal niet.
Maar nu zat ze dus naast die jongen. De jongen waarover ze zicht al dikwijls vragen had gesteld. Waar moet hij heen? Wie zou hij zijn?
"Is het project wat gelukt?"
Het gesprek was vertrokken. En bleef duren. Het halfuur dat anders zo lang kan duren, vloog voorbij. Ze bleken zelfs een en ander gemeen te hebben.
Ze moet dat meer doen. Afgaan op haar gevoel. Impulsief zijn.
Leve de bus.
Genoeg.
Wat mag en wat mag niet.
Mag ze eigenlijk nog zichzelf zijn?
Ongeschreven regels en wetten bepalen hoe ze er moet uitzien, hoe ze zich moet gedragen en wat ze moet doen. Een slecht gevoel wordt aangepraat.
Geleefd worden door wat de maatschappij verlangt.
Ze wordt bijna gedwongen om zich niet goed in haar vel te voelen. De constante twijfel of ze er wel goed genoeg uitziet. Of ze wel de juiste dingen zegt op het gepast moment. Moordend. Een gevecht met haar innerlijk. Over haar uiterlijk.
Soms heeft ze van die dagen waarop ze zich gelukkig voelt. Tevreden met wie ze is. De buitenwereld vergetend. Dan staat ze voor de spiegel en fluistert dat het allemaal nog wel meevalt. Dat ze er mag zijn.
Op zoek naar bevestiging stapt ze de wereld rond. Zonder resultaat. Priemende ogen omsingelen haar en wenden hun blik af. Naar iemand die de aandacht opeist. Stralend. Zelfverzekerd.
‘Een mens is niet gemaakt om alleen te zijn.’
Daar is ze zeker van. Ze heeft iemand nodig om haar heen. Iemand die haar doet beseffen waarom ze alles doet en volhoudt.
Ze kan het nog even alleen volhouden. Nog even. Nog heel even. Alleen.
Maar niet lang meer.
De negatie heeft lang genoeg geduurd. Nog één keer het mes in de wonde. En dan is het genoeg geweest.