Het lukte niet goed. Al dat afscheid nemen.
Nooit. Nooit zouden ze een onbezorgde jeugd hebben.
Als ze er al een zouden hebben.
Ze prees zichzelf gelukkig. Dacht aan de onbezorgdheid.
Doorgaans. En dan nog.
Triest. Waarlijk triest.
En dan zijn zij het die de boel recht houden.
Wonderbaarlijk.
Gieten.
Daar waren ze. Tranen. Met tuiten.
Echt tui-ten.
Ze kon niet anders dan wenen. En wenen.
Ohja. En wenen.
Niet daarom en daardoor.
Een beetje maar.
Onverwerkt verdriet.
Frustratie. Stress.
Blijdschap. Opluchting.
En het deed goed.
Achteraf gezien.
Had het deugd gedaan.
Soms moet een mens eens wenen.
Soms. Maar niet teveel.
Echt tui-ten.
Ze kon niet anders dan wenen. En wenen.
Ohja. En wenen.
Niet daarom en daardoor.
Een beetje maar.
Onverwerkt verdriet.
Frustratie. Stress.
Blijdschap. Opluchting.
En het deed goed.
Achteraf gezien.
Had het deugd gedaan.
Soms moet een mens eens wenen.
Soms. Maar niet teveel.
Plots.
p l o t s
een gek woord.
Ze had er vroeger nooit bij stilgestaan.
Dat plots, zo plots kon zijn.
Dat het zo een indruk kon nalaten.
Of hoe plots,
plots minder vrolijk klonk dan voordien.
een gek woord.
Ze had er vroeger nooit bij stilgestaan.
Dat plots, zo plots kon zijn.
Dat het zo een indruk kon nalaten.
Of hoe plots,
plots minder vrolijk klonk dan voordien.
Stel.
Stel dat nu op dit moment de wereld zou vergaan.
Of er een overval zou gepleegd worden.
Of er een zondvloed zou uitbreken.
Wat dan?
Ze vroeg het zich af terwijl ze stond aan te schuiven.
De man die wat verdwaasd rond zich keek, zou wellicht niet doorhebben wat er aan de hand was.
De vrouw die een baby bij zich droeg en met argusogen de buitenlandse man die voor haar stond in de gaten hield, zou gillen.
Dat ene kind dat kauwgum kauwend de wereld bestudeerde, zou de eerste zijn die zeurde over honger. (Gelukkig voor haar bevonden ze zich in de supermarkt.)
De macho met de tatoeages, die, die zou de wereld redden. Of dat dacht hij toch.
Klein hartje.
Het meisje voor haar zou flauwvallen.
De kassierster zou verstijven van angst.
De oma zou bidden.
En zij?
Roepen? Ondergaan? Wenen?
Zuchten?
Nee.
Hopen dat de wekker afgaat.
Of er een overval zou gepleegd worden.
Of er een zondvloed zou uitbreken.
Wat dan?
Ze vroeg het zich af terwijl ze stond aan te schuiven.
De man die wat verdwaasd rond zich keek, zou wellicht niet doorhebben wat er aan de hand was.
De vrouw die een baby bij zich droeg en met argusogen de buitenlandse man die voor haar stond in de gaten hield, zou gillen.
Dat ene kind dat kauwgum kauwend de wereld bestudeerde, zou de eerste zijn die zeurde over honger. (Gelukkig voor haar bevonden ze zich in de supermarkt.)
De macho met de tatoeages, die, die zou de wereld redden. Of dat dacht hij toch.
Klein hartje.
Het meisje voor haar zou flauwvallen.
De kassierster zou verstijven van angst.
De oma zou bidden.
En zij?
Roepen? Ondergaan? Wenen?
Zuchten?
Nee.
Hopen dat de wekker afgaat.