'Wat is het doel in uw leven? Hebt ge dat?' vroeg hij.
Stilte.
Een doel. Zij. In haar leven.
Confronterend. Zij had geen doel.
Geen doel in haar hele leven.
Ze leefde maar wat.
Maar waarom? Voor wie?
Ze had niemand om voor te werken.
Ze had niemand om naar uit te kijken.
Ze had niemand om mee vooruit te plannen.
Ze had niemand nodig om een doel te stellen.
Een jaar. 12 maanden. 365 dagen.
Zoveel tijd had ze zichzelf gegeven. Zo lang om zich te nestelen in haar nieuw leven. Om gewoon te worden aan de andere wereld die ze was ingewandeld. Om niet te denken maar te voelen.
En nu was de tijd om.
Nu was het tijd om te denken. Over de echte dingen des levens.
Om te beseffen waar ze mee bezig was. Om te beslissen waar ze naartoe wou.
Met zichzelf. En het leven.
Het liefst zou ze terugkeren.
Maar ze moet vooruit.
- 'Nee. Gij?'
'Ik ook niet. Stom he.'
- 'Ja. Ambetant.'
en ze reden vooruit.
Over het asfalt.
Over de tijd.
Over de doelen.
Vooruit.
0 reacties:
Een reactie posten